Het is hoogzomer in Europa, voor veel mensen een moment om
de natuur in te trekken. Maar ze zien daarbij steeds minder vlinders.
Dat is niet
alleen het geval in Nederland, maar in de hele Europese Unie. Vooral de soorten van
bloemrijke graslanden hebben het moeilijk. Er komen in Europa zo’n 500 soorten dagvlinders voor. Zij
zijn de populairste insecten. Ze worden al meer dan vijftig jaar systematisch
geteld, eerst alleen in Engeland, maar sinds 1990 in een groeiend aantal landen
in Europa – en ook steeds meer daarbuiten. In 2023 werden op 5882 plekken
vlinders geteld in 30 landen waaronder alle EU-landen. Dankzij al die tellingen
– die soms al tientallen jaren op dezelfde plekken gedaan worden – kunnen we
zien hoe het met de verschillende soorten gaat en kunnen we indicatoren maken.
Speciale aandacht
Binnen de nieuwe
Natuurherstelverordening is in artikel 11 speciale
aandacht voor graslandvlinders. Zij worden gezien als een van de graadmeters
voor herstel van landbouwecosystemen. Er is een speciale
graslandvlinderindicator ontwikkeld die 17 Europese soorten omvat. Twaalf daarvan komen voor in Nederland. Een van die graslandvlinders is de argusvlinder.
Vooral in de zuidelijke helft van Europa kan deze soort nog veel gezien worden. In Nederland zijn de aantallen argusvlinders sinds 1992
met
meer dan 98 procent afgenomen. Ook bij ons was dit ruim
dertig jaar geleden een veel talrijkere soort. In de Europese Unie als geheel
is de achteruitgang minder groot dan bij ons (60 procent). Daarbij is de
achteruitgang in het noorden van de EU groter dan in het zuiden.